Bij de beschrijving van het eindresultaat wordt onderscheid gemaakt tussen 'Oost', grofweg het gebied dat door de RCD-Goma wordt beheerst, en 'West', het gebied dat onder bestuur van Kinshasa valt alsmede wat door de MLC van Jean-Pierre Bemba wordt beheerst.
Bij de ronduit schokkende cijfers kunnen nog kanttekeningen worden geplaatst die suggeren dat deze zelfs nog een onderschatting van de werkelijkheid zijn. Zo hebben de enquêteurs twee vooraf geselecteerde locaties in 'Oost' niet kunnen bezoeken. Daarmee is 35% van de bevolking van de door 'rebellen' gecontroleerde gebieden niet meegenomen in het onderzoek. Het betreft met name het Ituri-gebied en de Hauts Plateaux in Zuid Kivu; vooral deze gebieden waren in de onderzoeksperiode ten prooi aan oorlog en bloedvergieten, wat dus niet is meegeteld.
Enkele conclusies zijn de volgende:
Het nationale sterftcijfer in de DRC is, met circa 2.3 per duizend per maand, hoger dan dat van enig ander land ter wereld, en ongeveer twee keer zo hoog als het gemiddelde van de Afrikaanse landen.
Het sterftecijfer in het bezette oostelijke deel is 3.5/1000/maand (tegen 2.0/1000/maand in 'West').
Dit betekent dus dat jaarlijks 4% van alle inwoners van 'Oost' sterven.
Nog schrijnender zijn de 'onder-5-sterftecijfers', namelijk 9.0 (per 1000 per maand) in 'Oost' en 4.4 in 'West'. In oostelijk deel van het land sterft dus jaarlijks meer dan 10% van de kinderen onder 5 jaar; in drie van de tien lokaties die in 'Oost' werden bezocht stierf zelfs meer dan de helft van de kinderen voor het tweede levensjaar! Geen wonder dat daar dus de bevolkingsgroei tot staan is gekomen.
Het enige optimistische geluid in het rapport is de constatering dat het sterftecijfer in het oostelijk deel (met 3.5) wat beter is dan het cijfer dat door het IRC in 2001 werd gemeten (namelijk 5.4). Dit correleert met de afname van de gewelddadigheden sindsdien in delen van Kivu en Noord-Katanga. Hierdoor daalde het aantal doden door direct geweld, maar het aantal dat stierf door andere oorzaken (ziekte, honger, e.d.) bleef hoog. Sinds het onderzoek is het bloedvergieten in het Iturigebied echter enorm toegenomen zodat om die reden weer een stijging van het sterftecijfer te verwachten is.
Een van de onderzochte lokaties betreft het centrum van Kisangani, de hoofdstad van Oostprovincie. Hier springt het sterftecijfer, 7.1/1000/maand over de periode mei-september 2002, ver boven zelfs het gemiddelde in Oost-Congo. Dit hoge getal is te wijten aan de gebeurtenissen in mei 2002 en erna (toen het optreden van het Rwandese leger veel burgerdoden veroorzaakte). Het aantal sterfgevallen door geweld aldaar zou volgens het onderzoek uitkomen op 637, aanzienlijk meer dus dan de 200 die in Westerse media werden genoemd.
Uit de recente cijfers, tezamen met die van de vorige onderzoeken (in 2000 en 2001) trekt de ICG de conclusie dat het aantal doden (excess deaths) ten gevolge van de oorlog sinds de inval van Oeganda en Rwanda in augustus 1998 tussen 3.0 en 4.7 miljoen moet liggen. De verschillen tussen 'Oost" en 'West' laten zien dat die excessieve sterfte vrijwel geheel plaats vindt in de door buitenlandse troepen en hun handlangers bezette gebieden.
De tol aan doden die de oorlog in Congo eist overtreft verre die van bijvoorbeeld de hongersnood in Ethiopie van 1984 of die van de huidige oorlog in Zuid-Soedan. Des te meer verbazingwekkend is, aldus IRC, het relatieve gebrek aan aandacht dat de oorlog in de RDC te beurt valt.
Het volledig rapport is te vinden via www.theIRC.org
Redactie Congo-Ned
10/4/2003