Werkgroep Congo-Ned

Nieuwsbrief 15: eind september 2007

````````````````````````````````````````````````````````````````````

De eerste maanden van de nieuwe Congolese regering hebben de bevolking niet de vrede en vermindering van de armoede gebracht die zij bij de verkiezingen, eind vorig jaar, verwacht had. In het Oosten, met name in Noord-Kivu, woedt opnieuw oorlog die enorme stromen vluchtelingen op gang brengt. De grondoorzaak is dezelfde als voorheen: de begeerte naar de kostbare grondstoffen zoals cassiteriet, pyrochloor en goud, die op niets ontziende wijze worden geplunderd en via de oostgrens verdwijnen, zonder een bijdrage te leveren aan de opbouw van het land. Ook de fabelachtige koper- en kobaltrijkdommen in Katanga leveren geen bijdrgae aan het budget van de staat. De staatsmijnbedrijven zijn onder het overgangsbewind geprivatiseerd, maar geïnvesteerd is er nog nauwelijks; de winning van delfstoffen is veelal in handen van artisanale mijnwerkers, zoals jongeren die met een schep en een emmertje kopererts verzamelen. De regering moet haar grote plannen, proberen te verwerkelijken met een budget van nog geen 2 miljard euro, waarvan ook nog een kwart verdwijnt aan rente en aflossing op oude leningen. Het overgangsbewind heeft het land uitgeleverd aan de adviseurs van de Wereldbank en het financiële regime van het IMF, en ook de regering Gizenga reist nog steeds de fata morgana na van de schuldkwijtschelding (thans in het vooruitzicht voor december 2008). In deze Nieuwsbrief gaan we op deze ontwikkelingen wat nader in. De achtergronden worden uitgediept in een beknopte brochure die Congo-Ned heeft uitgegeven onder de titel "Congo, oorlog en plundering"; zie onderaan deze nieuwsbrief!

De oorlog in Noord-Kivu

De 'mixage' van bataljons van het Congolese leger (FARDC) met groepen soldaten van Nkunda, waarover we in de vorige nieuwsbrief berichtten, is op een humanitaire ramp uitgedraaid. Het plan was het resultaat van overleg tussen vertegenwoordigers van de Congolese en de Rwandese regering in aanwezigheid van de opstandige generaal Nkunda. Het zou een einde moeten maken aan de onveiligheid met name in Noord-Kivu, die volgens Rwanda vooral werd veroorzaakt door de aanwezigheid van eenheden van de FDLR.

De nieuwe gemixte brigades werden vanaf het begin gedomineerd door de geharde tutsi-soldaten van Nkunda. Bij de strijd die ontbrandde was de burgerbevolking het voornaamste slachtoffer, wat enorme stromen vluchtelingen op gang bracht: volgens een bericht van de UNHCR van half juli rond 136.000 sinds het begin van de mixage, wat het totaal der ontheemden in Noord-Kivu op 650.000 bracht.

Voor de aanhangers van Nkunda was de actie een succes; het gebied in de twee territoires Rutshuru (ten noord-oosten van Goma, grenzend aan Rwanda) en Masisi (ten westen van Goma) onder hun controle was in korte tijd ongeveer verdubbeld. De strijd gaat niet zozeer om de vernietiging van de FDLR die met zijn legertje van 6.000 man, zoals ook door Kagame wordt erkend, geen serieuze bedreiging voor Rwanda vormt. Maar de regio is rijk aan vindplaatsen van kostbare grondstoffen, zoals cassiteriet, goud, en vele andere.

Een delfstof met bijzonder hoge waarde is pyrochloor, dat het zeldzame metaal niobium bevat waarvoor op de wereldmarkt grote belangstelling bestaat. Bij Lueshe in Rutshuru staat al sinds lang een mijn, waarvan de rijke opbrengst een bron voor de financiering van de oorlog van Kagame in Congo is geweest, en die nu onder gezag staat van Nkunda. De bergachtige streek bevat echter ook concentraties van de FDLR en van Congolese Mai-Mai groepen. Het is dus niet verwonderlijk dat hier de hardste gevechten met de gemixte FARDC-eenheden plaatsvonden. Gaandeweg drong de omvang van het humanitaire drama tot de internationale gemeenschap door. Het hoofd van de VN-vredesmacht in Congo MONUC, William Swing, verklaarde op 28 juni dat de 'mixage' slechts bedoeld was als een eerste stap om tot 'brassage' (vorming van een nationaal leger zonder ethnische scheidslijnen), en hij erkende dat dit doel niet naderbij komt.

Op 12 juli brengt een breed samengestelde delegatie van de Société Civile van Noord-Kivu een bezoek aan Nkunda in zijn kamp bij Kitshanga in de hoop een basis voor herstel van de vrede te vinden. Ze komen teleurgesteld terug. In hun verslag zeggen ze dat een vergelijk met de man onmogelijk is: hij is alleen geinteresserd in zijn eigen belang en dat van zijn etnische groep, het Congolese nationale belang zegt hem niets. Ze doen een beroep op de regering een eind te maken aan de mixage en de militie van Nkunda met militaire middelen aan te pakken.

Op 16 augustus verklaart het hoofd van de landstrijdkrachten, generaal Amisi, dat de strijd tegen de FDLR voorlopig wordt gestopt en voortaan alleen zal worden gevoerd door echt geïntegreerde brigades. Hij wordt gesteund door de nieuw benoemde hoogste legerleider Lt. Gen Dieudonne Kayembe en de commandant van het 8e regio (Noord-Kivu), generaal Vainqueur Mayele.

Dit leidde weldra tot het uiteenvallen van de gemixte brigades, allereerst van de brigade Bravo die onder leiding van de pro-Nkunda commandant Makenga vanuit zijn legerkamp bij Rubare het gebied aan de grens bij Lueshe, waar ondermeer de pyrochloormijn ligt, controleerde. De tutsi-soldaten verdwenen met wapens en al, en stelden zich weer onder gezag van hun oude baas Nkunda.

Op 28 augustus werd tegen de (loyale) commandant Yav van de uiteenvallende brigade Charly in Masisi door een deel van zijn voormalige soldaten een hinderlaag gelegd die verscheidene soldaten het leven kostte; zelf bleef hij ongedeerd. Er braken felle gevechten uit tussen loyale FARDC-troepen en soldaten van Nkunda, vooral bij de strategisch belangrijke stad Sake ten noorden van Goma.

Blijkbaar was nu voor de Congolese regering de maat vol: de 15e brigade die bij Kisangani juist zijn brassage had afgerond werd direct naar het strijdtoneel gecommandeerd. Ook geintegreerde brigades uit Bunia en uit Zuid-Kivu werden samengetrokken om de aanvallen het hoofd te bieden. Toen de kansen keerden en Nkunda's mannen werden teruggedreven, greep de VN-vredesmacht MONUC in en slaagde erin een wapenstilstand af te dwingen.

Sindsdien blijft de internationale gemeenschap (de VN-Veiligheidsraad, de EU) benadrukken dat door onderhandelingen tussen Rwanda en Congo, ofwel een 'dialoog' met Nkunda, een oplossing voor het conflict gevonden moet worden, waarbij steeds weer 'de FDLR' als grootste dreiging wordt opgevoerd. Echter, zoals een delegatie uit de provinciale Assemblee van Noord-Kivu al op 21 juni tegen een delegatie van de Veiligheidsraad benadrukte: net als in Burundi en in Congo dient in Rwanda een echte nationale dialoog plaats te hebben waaraan ook vertegenwoordigers van de FDLR deelnemen en die leidt tot democratisch bestuur in Rwanda. Helaas lijkt dit wel het laatste te zijn wat Kagame wenst, en de internationale gemeenschap blijft hem dekking geven. De Congolese bevolking betaalt de prijs van het internationale politieke spel: forensische experts van MONUC delven nu bij Rubare de massagraven op die de brigade Bravo heeft achtergelaten!

Regeren zonder budget?

Kort na de investituur van president Joseph Kabila in januari jl., waarbij hij de '5 chantiers' [projecten] aankondigde om zijn land er bovenop de helpen, zei de Senegalese diplomaat Moustapha Niasse, die eerder had bemiddeld bij de Inter-congolese Dialoog in 2002, in een gezelschap van wereldleiders dat de DRC om er bovenop te komen zeker 3,5 miljard dollar nodig had voor infrastructurele werken, zoals wegen, bruggen en spoorwegen.

Een woordvoerder van de Wereldbank verklaarde plechtig dat zijn bank Congo nooit in de steek zou laten. Wat dit laatste betreft weten we thans beter: op voorspraak van het IMF zijn alle nieuwe kredieten bevroren totdat de nieuwe regering laat zien wat de voormalige (overgangs)regering met zijn geld heeft gedaan, en heeft laten zien op eigen kracht het eerste half jaar te kunnen doorkomen.

De regering heeft onder deze druk een budget voor 2007 gepresenteerd van een schamele 2,13 miljard dollar, waarvan de helft moet worden gedekt door nieuwe leningen, terwijl een kwart onmiddellijk moet worden teruggestort als rente en aflossing van oude leningen. Hoewel de regering zich inspant haar inkomsten uit in- en export te verhogen, is het niet verwonderlijk dat zij niet heeft voldaan aan de afspraak met de ambtenarenbonden voor een minimale salarisverbetering en dat duizenden soldaten het nog steeds zonder soldij moeten stellen.

Overigens behoeven de rente- en aflossingsverplichtingen van een lening van een paar miljard dollar voor Congo niet onoverkomelijk te zijn, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan: Allereerst dient de kwalijke staatsschuld uit de dagen van Mobutu te worden kwijtgescholden en de gestolen miljarden bij de Mobutu-familie teruggehaald. Maatschappelijke organisaties in Congo pleiten voor het houden van een 'audit' met internationale deskundigen om de precieze omvang van de 'dette odieuse' en de Mobutu-miljarden vast te stellen. De aankondiging van de Zwitserse presidente, op bezoek bij Kabila, dat het 'fonds-Mobutu' bij een Zwiterse bank $ 8 miljoen bedraagt (wat ze wel wilde retourneren) kan niet serieus worden genomen.

De tweede voorwaarde is dat het land volop kan profiteren van de rijkdommen van zijn bodem. Juist dit wordt, zoals de zaken nu liggen, onmogelijk gemaakt: De delfstoffen uit de Kivu's, zoals de genoemde pyrochloor en het cassiteriet (tinerts), gaan grotendeels ongezien de oostgrens over. Want, zoals een westerse diplomaat in Kinshasa anoniem erkende: Kagame kan onmogelijk afstand doen van zijn greep op de bodemschatten van Oost-Congo.

Bijgestaan door deskundigen van de Wereldbank is het staatsbedrijf Gecamines in Katanga op zo'n wijze geprivatiseerd dat dit ook in de nabije toekomst de Congolese staat weinig tot niets zal opbrengen. Het is dus van groot belang dat de door de regering ingestelde commissie om na te gaan of deze privatisering volgens de regels is verlopen, een betrouwbaar verslag uitbrengt.

Er is met Gecamines een groot aantal joint ventures gesloten voor diverse mijnen met grote perspectieven, zoals Tenke-Fugurume, Kamoto en de open KOV-mijn, samen de grootste drie koper/kobalt mijnen van Afrika met gezamenlijke ertsvoorraad van zeker 150 miljard dollar. De meeste mijnen zijn in de handen gekomen van zogenaamde 'junioren', maar de mijngiganten (Anglo American, Rio Tinto, BHP, ..) staan te wachten om deze uit te kopen en erin te investeren. Want de wereldmarktprijzen blijven stijgen en het risico daalt naarmate Congo 'stabieler' blijkt te zijn. Maar de grote financiële transacties lopen via de beurzen van Londen en Toronto zonder dat Congo er veel wijzer van wordt.

China springt erin.

Een recente ontwikkeling zet de zaken in een heel ander perspectief: Op 18 september wordt bekend gemaakt dat de Congolese minister van Publieke werken een akkoord heeft gesloten met de directeur van de organisatie van Chinese ondernemingen voor de aanleg van een groot aantal infrastructurele werken. China is bereid daarvoor een lening te verstrekken van 5 miljard dollar, waarvan de aflossing gefinancierd zou worden uit mijnopbrengsten uit Katanga. Zoals bekend is China erg geinteresseerd in koper en kobalt voor zijn economische ontwikkeling, terwijl het bovendien heeft aangekondigd van een aantal delfstoffen een strategische voorraad te willen aanleggen.

Voor Congo kan deze overeenkomst de redding betekenen van de '5 chantiers' van Kabila. De plannen behelzen ondermeer 3200 km spoorverbindingen, 3400 km snelwegen, tientallen ziekenhuizen en sociale woningbouw, kortom de realisering van de geciteerde woorden van de diplomaat Niasse van begin 2007. China heeft de laatste jaren trouwens al verscheidene infrastructurele werken aangepakt zoals de verkeersweg van Kisangani naar Bunia door het Ituriwoud en die van Bukavu richting Kindu. In het begin van de maand heeft president Kabila een nieuw ziekenhuis geopend in Kinshasa/Ndjili dat door de Chinezen is gebouwd.

In het Westen zijn sommige wereldleiders 'not amused' over het Chinees-Congolese akkoord: het IMF, waarvan deskundigen juist in Kinshasa zijn om het financiële handelen van de regering door te lichten, eiste onmiddellijk het fijne over de gemaakte afspraken. In Brussel spreekt men, volgens krantenberichten, over 'ondankbaarheid van Congo' en maakt men zich zorgen over de greep van de EU op de ontwikkelingen. Op de aandelenbeurzen vraagt men zich af of de grote mijnbedrijven niet te laat komen om hun slag te slaan.


CADI: opvangcentrum in aanbouw voor kinderen uit Kinshasa <

Olie

Enkele maanden geleden hebben de VS besloten een nieuw commando in te richten met de naam Africom. Deze beslissing weerspiegelt de toegenomen belangstelling van Amerikaanse zijde voor het Afrikaanse continent dat, wat de Amerikaanse militaire bemoeienis betreft, tot nu toe operationeel onder het Europese commando Eucom viel.

In een artikel van 2 juli in de New Statesman wordt gefilosofeerd over de achtergronden. Die betreffen volgens de Afrika-specialist van het Pentagon, Peter Pham, kortweg: aardolie en de strijd tegen het terrorisme. Dit is gezien de problemen in het Midden-Oosten op zich niet erg verwonderlijk, maar, stelt een andere deskundige:"Africom komt op in een context van een rijzend conflict met China met betrekking tot de olie". Op dit moment is immers het buurland van Congo, Angola, al de belangrijkste olieleverancier van China, en de behoefte van dit land om olie is enorm.

Deze constatering is ook relevant voor Congo. Op 25 september jl zijn door het Congolese parlement twee verdragen goedgekeurd met betrekking tot oliewinning: een verdrag met Angola over gezamenlijke winning voor de kust, waar Angola (bij Cabinda) al langer bezig is. Waar de uitvoering hiervan wel weinig problemen zal opleveren, geldt dit niet voor het andere verdrag, met het oostelijke Oeganda over de gezamenlijke winning in het Albertmeer dat op de grens ligt van beide landen. Proefboringen worden in opdracht van Oeganda al geruime tijd verricht door Heritage Oil en het is de bedoeling dat het Ierse bedrijf Tullow Oil de olie gaat winnen. Het door de Congolese minister Mbusa Nyamwisi voorbereide verdrag voorziet in gezamenlijke winning met een verdeling van de opbrengst in overeenstemming met grootte van de winningsgebieden.

Het verdrag met Oeganda komt na enkele gewapende confrontaties op het Albertmeer, waarbij een Engelse werknemer van Heritage Oil het leven liet, gevolgd door bemiddeling door de Tanzaniaanse president Kikwete tijdens een topconferentie in Ngurdoto bij Arusha. Het voornaamste probleem is de onenigheid over de precieze loop van de grens in het meer, wat bepalend zal zijn voor de verdeling van de inkomsten.

Maar niet alleen aan de grenzen van Congo bevinden zich oliereserves. Ook onder het laagland van Centraal-Congo worden grote voorraden vermoed. Het 'rijzend conflict' over olie waarvan in de New Statesman sprake is, kan zich dus gemakkelijk boven Congo ontladen.

Korte berichten

- Onze Congolese vriend Heri Njila is, opnieuw met een partij gereedschappen en materiaal, naar Uvira (Zuid-Kivu) gereisd. Dit maal voor een langere periode, om ter plaatse te helpen met het opzetten van coöperatieve landbouw en gemeenschapscentra voor werkloze jongeren en voor uit Tanzania terugkerende vluchtelingen. Congo-Ned heeft, samen met de stichting SRDA, het transport financieel mogelijk gemaakt.

- Achille Mwanzita van de stichting CADI-Nederland, met wie we geregeld overleggen, heeft in de zomer anderhalve maand gewerkt aan de bouw van een opvangcentrum voor straatkinderen uit Kinshasa. Het centrum Kizimbula geeft onderdak en scholing aan circa 100 kinderen. De exploitatie moet (op den duur) gedekt worden uit de opbrengst van de landbouw, vis- en veeteelt op het bijbehorende terrein.

- Onze contactpersoon met Kisangani, Angèle Ntibonera van AFEDECO, is tegenwoordig vooral bezig met slachtoffers van verkrachting uit de omgeving, zoals in Wani Rukula. Ze wil graag financiële steun voor deze vrouwen.

"Congo, oorlog en plundering"

Onder deze titel is door de Congolese mijningenieur Mfuni Kazadi een korte verhandeling geschreven die door Congo-Ned in het nederlands is vertaald. Het gaat over de ontwikkelingen gedurende de jaren 1998 tot 2006, vooral met betrekking tot de oorlog vanuit de oostelijke buurlanden en het optreden van IMF en Wereldbank. We hopen met de publicatie meer begrip te kweken voor de politieke worsteling die thans in Congo plaats vindt, waarvan de uitkomst mede bepalend zal zijn voor de hele regio. De brochure (48 pp) is te bestellen door overmaking van € 7,- op onze girorekening 9263303 ten name Stichting Amani ya Congo te Amsterdam met vermelding van 'brochure'.

Werkgroep Congo-Ned
Adres: 2e Oosterparkstraat 215 II,
1092 BK Amsterdam
Tel. (0)20 6718773
Fax (0)20 4631984
e-mail congoned@dds.nl

Tekst: Nico Dekker.
Logo en fotobewerking: NINO-kunstservice

Als u vragen of opmerkingen heeft naar aanleiding van deze nieuwsbrief, stuur ons dan een berichtje.

De Werkgroep Congo-Ned heeft als doel informatie te verspreiden over Centraal-Afrika, in het bijzonder de DR Congo, en bij te dragen aan de verbetering van de leefsituatie van de bevolking aldaar. Congo-Ned maakt deel uit van de Stichting Amani ya Congo, KvK 34168881.Gironummer 9263303 te Amsterdam.