Op 9 april ontvingen we een brief van minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking naar aanleiding van de aanbieding van onze petitie op 26 februari jl. In de petitie vroegen we een embargo op de import van uit Congo geroofde grondstoffen. De petitie werd ondertekend door 1681 personen. Hier volgt het antwoord van de minister met ons commentaar:

_________________________________________________________________________________________________________ Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan: Mw. Koetsier
Werkgroep Congo?Ned
2' Oosterparkstraat 215 11
1092 BK Amsterdam

Directie Sub-Sahara Afrika
Afdeling Midden- en Oost Afrika
Bezuidenhoutseweg 67
2594 AC Den Haag

Datum: 9 april 2002
Kenmerk: DAF246
Blad: 1/2
Bylage(n): 3

Betreft Uw brief van 1 maart j1.

Contact: C.J. Lasseur
Telefoon: 0703485777
Fax: 070-3486607
E-mail: katja.lasseur@minbuza.nl

Geachte mevrouw Koetsier,

Mede namens de minister van Buitenlandse Zaken wil ik hierbij reageren op uw brief van 1 maart jongstleden, waarin u ons in kennis heeft gesteld van de petitie "Stop plundering in Congo! Stop oorlog in Congo!" die u op 26 februari jl. aan de Tweede Kamer heeft aangeboden. U heeft ons gevraagd aan de in de petitie gestelde eisen zo spoedig mogelijk uitvoering te geven.

lk ben mij bewust van de situatie betreffende de plundering van grondstoffen in de DR Congo. Sinds het uitbreken van de conflicten in 1998 vormt deze plundering een belangrijke bron voor het instandhouden van de oorlogscapaciteit van de vechtende partijen. Daarmee dreigt een vicieuze cirkel: de exploitatie houdt het conflict in stand, het conflict maakt economische plundering mogelijk. Dit mag niet voortduren. Ik juich het dan ook toe dat in VN-verband onderzoek wordt gedaan naar deze exploitatie.

Voor wat betreft uw aanbevelingen deel ik allereerst de mening van de VN dat voortgang in het Lusaka-vredesproces en het herstel van de rechtsstaat in de DR Congo essentieel zijn om een einde te maken aan de plundering van grondstoffen. Immers; dat deze exploitatie mogelijk is, is vooral te wijten aan de rechteloosheid die met name in het oosten van de Congo heerst. Tegelijkertijd ben ik van mening dat betrokkenheid van Europese bedrijven bij de handel in deze grondstoffen maatschappelijk onverantwoord is. Bedrijven zouden er beter aan doen activiteiten in conflictgebieden te beeindigen. Eventuele (strafrechtelijke) maatregelen tegen dergelijke handel moeten evenwel, om effectief te zijn, in multilateraal verband tot stand kornen. Tevens moeten mnaatregelen praktisch uitvoerbaar zijn en daadwerkelijk leiden tot de vermindering van plundering en exploitatie.

Nederland zal zowel in EU- als in VN-verband aandringen op de ontwikkeling van gezamenlijk beleid dat conflictgerelateerde handel tegengaat. Voor een nadere uiteenzetting van de Nederlandse houding ten aanzien van deze problematiek voeg ik bij deze brief de antwoorden op vragen die recent zijn gesteld door enkele Tweede Kamerleden.

Eveline Hertkens
Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Kenmerk
Blad

__________________________________________________________________________________________________________

Commentaar van Congo-Ned:

Terecht wijst de minister op de vicieuze cirkel : exploitatie-- conflict -- exploitatie --- etc. , en stelt dat deze niet mag voortduren. De minister zegt het toe te juichen dat er in VN-verband onderzoek naar deze exploitatie wordt gedaan. Dit onderzoek is echter allang gedaan, in twee ronden. Door het eerste onderzoek (o.l.v. Mme Safiatou N'Daw, april 2001) is de illegale exploitatie in Oost-Congo door Rwanda en Oeganda heel duidelijk in kaart gebracht, het tweede (o.l.v. Kassem, november 2001) heeft de resultaten uit het eerste onderzoek onderstreept en opgeroepen tot een tijdelijk embargo op de import van de betreffende grondstoffen. Niets belet de Nederlandse regering krachtiger stelling te nemen jegens bedrijven die zich met die import bezig houden, ook al prefereert de VN-Veiligheidsraad de kwestie weer voor zich uit te schuiven door nog meer 'onderzoek' te vragen.

In de derde alinea van de brief van de minister wordt gezegd dat 'de exploitatie' te wijten is aan de rechteloosheid in Oost-Congo. Echter, de rechteloosheid en de massaslachtingen die in Oost-Congo plaatsvinden worden door de bezettende legers van Rwanda en Oeganda en de door hen gesteunde rebellenregiems veroorzaakt. De zaken moeten niet worden omgekeerd zoals de minister doet. De schuld ligt niet bij het ontbreken van een Congolese rechtstaat. Men hoort allereerst de vinger te leggen op het feit dat de buurlanden onrechtmatig binnengedrongen zijn en de bezetting volhouden om te plunderen. Nederland zou er beter aan doen harde maatregelen te nemen tegen de bezettende landen, bijvoorbeeld de stopzetting van budgetsteun, tot deze landen zich volledig uit Congo hebben teruggetrokken. Zonder het vertrek van de vreemde legers is het immers uitgesloten dat Congo ooit een rechtsstaat wordt.

Tenslotte: de uitspraak dat "bedrijven er beter aan doen activiteiten in conflictgebieden te beŽindigen" roept de vraag op welke actie de Nederlandse regering inmiddels heeft genomen om betreffende bedrijven, zoals Chemie Pharmacie Holland, bij dit standpunt te bepalen. Het is duidelijk dat de Nederlandse regering geen stappen tegen deze bedrijven wil nemen, maar zich op vrij laffe wijze verschuilt achter het argument dat deze alleen in "multilateraal verband" aan te pakken zouden zijn. Maar Nederland heeft natuurlijk wel degelijk verantwoordelijkheid voor de handel en import door deze bedrijven binnen Europa en onze grenzen. In BelgiŽ is de senaat vorig jaar begonnen met een onderzoek door een speciale commissie naar betrokkenheid van Belgische bedrijven bij de illegale handel. Dat is wel het minste wat Nederland ook zou kunnen doen: serieus onderzoeken wat de betrokkenheid van Nederlandse bedrijven is, om te beginnen die bedrijven die genoemd worden in de VN-rapporten en in het IPIS-rapport.

Congo-Ned, 11 april 2002