De oorlog was niet het gevolg van fouten door de regering van Kabila. De leiders van Uganda en Rwanda, Museveni en Kagame, meenden, nadat ze Kabila geholpen hadden in 1997 Mobutu te verdrijven, bepaalde claims te kunnen leggen. Zij eisten de uitroeiing van Hutu-milities die in Congo een toevlucht gezocht hadden na de genocide in Rwanda in 1994, maar bovendien wilden met name de Rwandezen belangrijke posities behouden in de Congolese regering en het leger. Vooral deze laatste eis, waar Kabila uit solidariteit met Rwanda aan voldeed, kreeg vanaf het begin felle kritiek van de Congolese bevolking. Zijn toegeeflijkheid in dit opzicht zou hem dan ook noodlottig worden. De ontevredenheid van Museveni en Kagame over Kabila groeide echter vooral snel nadat bleek dat Kabila niet van plan was aan Uganda en Rwanda interessante mijnbouwconcessies toe te staan. De regering van Kabila was van plan de economie zo in te richten dat de winsten uit hout, goud, diamant en andere grondstoffen van Congolese bodem allereerst aan het herstel van het land en aan de Congolezen zelf ten goede zouden komen. Dit strookte niet met de wensen van Museveni en Kagame. Zij noemden Kabila al gauw 'onberekenbaar' en beraamden plannen om hem te verdrijven. "We put him there, we have the right to remove him," aldus Museveni.
Het breekpunt voor Kabila was de poging tot een moordaanslag op hem door een Rwandese commandant. Kabila nam hierna maatregelen: hij verzocht in juli 1998 alle Rwandese en Ugandese troepen -onder dankzegging voor de verleende hulp- het land te verlaten. Het Congolese volk was tevreden, maar de gevolgen waren verschrikkelijk.
Uganda en Rwanda zijn altijd de protégés geweest van president Clinton en in de ogen van Westerse leiders konden deze twee buurlanden van Congo nauwelijks kwaad doen, tenminste zolang Clinton regeerde. De band tussen de Amerikanen en Uganda en Rwanda is vooral af te lezen aan de militaire steun van Amerika: training van soldaten, het leveren van militaire high-tech uitrusting, wapens en een aantal Amerikaanse militaire bases in de twee landen. Ook de EU steunt Uganda en Rwanda, maar dan vooral met ontwikkelingshulp. Nederland heeft Uganda op de lijst van geprivilegiëerde landen voor overheidssteun en mevrouw Herfkens wilde Rwanda hier eigenlijk ook op plaatsen. Beide landen komen in aanmerking voor internationale schuldverlichting.
Het hoeft dus eigenlijk geen verbazing te wekken dat toen Rwanda en Uganda in augustus 1998 Congo binnenvielen om Kabila te 'wippen', er geen enkel protest van Westerse zijde gehoord werd. Men schoof alle verantwoordelijkheid op Kabila en bleef hier in het Westen hardnekkig spreken van een burgeroorlog. De rebellenbewegingen waar sprake van is bestaan echter uit door Uganda en Rwanda bij elkaar geraapte ontevreden Congolezen, oud-mobutisten en Tutsi's. De Congolezen noemen hen "collabos", collaborateurs, die als dekmantel dienen voor de agressie van de twee buurlanden.
Kabila kreeg hulp van drie leden van de SADC ( de Southern Africa Developpement Community) Angola, Namibië en Zimbabwe. Zij steunen Congo omdat dit land lid is van de SADC en de SADC-landen een overeenkomst hebben om elkaar bij te staan als een der leden aangevallen wordt. De steun berustte op een verdragsovereenkomst en niet op eigenbelang, zoals hier in het Westen steeds beweerd wordt. Over de belangen die de strijdende partijen in het conflict hebben zullen we later nog spreken.
Eerst nog iets over de verhouding van het Westen tot Rwanda. Madeleine Albright, befaamd om allerlei ondoordachte ophitserij, had een bijzondere voorliefde voor Rwanda. Ze heeft eens gezegd: "Rwanda is de oogappel van de Verenigde Staten." Westerse leiders en met name de Amerikaanse hebben een zwak voor Rwanda uit schuldbesef. Men liet de Rwandezen in de steek toen daar in 1994 honderdduizenden Tutsi's en gematigde Hutu's vermoord werden tijdens de burgeroorlog tussen de militairen van Kagame en het toenmalige Rwandese leger. Maar momenteel zou men zich eens af moeten vragen of de steun voor Kagame niet te ver doorgevoerd is. Zijn soldaten hebben de laatste jaren onnoemlijk veel slachtingen uitgevoerd onder Congolese burgers. Volgens de VN zijn 1,7 miljoen Congolezen sinds 1998 door de oorlog omgekomen.
In het SIPRI jaarboek 2000 wordt ingegaan op de militaire uitgaven van Rwanda en Uganda. Beide landen claimen dat hun overheidsbudget niet aangetast wordt door de oorlog die ze in Congo voeren. Zij moeten dit ook wel zeggen om de Westerse donoren om de tuin te leiden, maar hun werkelijke uitgaven zijn moeilijk te controleren. Wel blijkt dat ze de laatste jaren belangrijke exporteurs van strategische grondstoffen zijn geworden: goud, diamant, coltan (=colombo-tantaliet, belangrijke grondstof voor de electronica) en hout, grondstoffen die hun eigen bodem niet oplevert, maar uit Congo geroofd zijn. De inkomsten hiervan worden besteed aan wapenaankoop.
De relatie van Rwanda en Uganda met het Westen zou men zo kunnen weergeven: Westerse wapenhandelaren kopen oude NATO- en Warschaupactwapens op. Privé-luchtvaartondernemingen vervoeren deze wapens naar Rwanda en Uganda. Topmilitairen van deze landen beheersen de goud- en andere mijnen in het Oosten van Congo. Westere bedrijven kopen deze geroofde grondstoffen van de Ugandezen en Rwandezen en met het verkregen geld betalen zij de door het Westen geleverde wapens. Een gesloten kring van verstrengelde wederzijdse belangen tussen de Ugandese en Rwandese elite en de Westerse commercie en een mooi voorbeeld van "de vrije markt" die gepropageerd wordt door het zogenaamde democratische Westen.
Sommige Congolezen vragen zich af of Rwanda en Uganda ooit zullen vertrekken uit Congo. Zo vertelt een ex-rebellenleider dat hij twijfelt of er wel ooit een eind komt aan de oorlog. Bij hem waren de schellen van de ogen gevallen toen hij zag hoe de Congolezen vernederd werden door de Rwandezen. Ook zag hij dat de Amerikaanse inlichtingendienst de operaties begeleidde vanuit de hoofdstad van Rwanda. Rwanda heeft volgens hem drie belangen bij de oorlog: het annexeren van een deel van Congo, de uitroeiing van genocidairen van 1994 en het exploiteren van Congolese grondstoffen. In Congo dulden de Rwandezen alleen een marionettenregering. Kabila was voor hen onaanvaardbaar. Dat was hij ook voor de Ugandese leider Museveni. Kabila werd door hem als een obstakel gezien voor zijn ambitie om van Uganda de regionale leider van het gebied te maken.
Zimbabwe, dat de kant van Kabila koos, is sindsdien een soort paria geworden. Het Westen staakte alle financiele hulpverlening. Men beschuldigt Mugabe ervan dat hij miljoenen besteedt aan de oorlog, de Congolese grondstoffen plundert en een funeste landhervorming doorvoert. De Zimbabweaanse concessies voor het winnen van kobalt in Zuid-Congo zijn echter legaal verkregen door een overeenkomst met de regering van Kabila.
Het belang van Angola bij de oorlog is vooral de bestrijding van de Angolese verzetsbeweging de UNITA. Deze wordt via Uganda en Rwanda van wapens voorzien, geheel in strijd overigens met het geldende VN-wapenembargo. Angola wil voorkomen dat Uganda en Rwanda hun macht uitbreiden in Congo waardoor de UNITA versterkt zou worden. Verder heeft Angola momenteel olie-concessies in Congo.
De Congolese rebellengroepen zijn afhankelijk van hun Rwandese en Ugandese meesters. In Oost-Congo zijn een aantal zelfverdedigingsgroepen ontstaan, zoals de Mai Mai. Ze vechten vaak samen met de Rwandese Hutu's tegen het regiem van Kagame. Kabila is ervan beschuldigd dat hij de Hutu's in zijn leger had opgenomen. Deze beschuldiging werd door Museveni en Kagame gebruikt als alibi om Congo binnen te vallen. Maar een feit is dat de Hutu's recht hebben op een veilige terugkeer naar Rwanda, maar daartoe geen kans krijgen zolang de macht alleen door Tutsi's uitgeoefend wordt.
De werkelijke oplossing van dit Afrikaanse conflict ligt niet in de uitroeiing van de ene ethnische groep door een andere groep. De slachtoffers van weleer, de Tutsi's, zullen de oorlog nooit winnen als ze doorgaan met hun militaire strijd tegen degenen die ze hun moordenaars noemen. De vrede in Congo kan alleen bereikt worden als Uganda en Rwanda zich terugtrekken en er een verzoening tussen de diverse bevolkingsgroepen ontstaat.
Het fameuze Lusaka-accoord dat in juli 1999 tussen de strijdende partijen gesloten is, heeft zoals bekend niet tot vrede geleid. Al spoedig hadden de Congolezen door dat de voorwaarden die erin gesteld worden in hun nadeel zijn. Diverse groepen in de Congolese maatschappij voerden er bezwaren tegen aan. In het accoord wordt namelijk de terugtrekking van vreemde troepen afhankelijk gesteld van een nationale Congolese dialoog. Maar afgezien van de rebellen willen de Congolezen dat de "agressoren"eerst het land verlaten. Tot nu toe heeft het Westen zich niet zoveel aangetrokken van de problemen die de Congolezen aanvoerden. "Lusaka" werd door de Westerse leiders verwelkomd omdat het accoord in hun ogen tegemoet kwam aan de "legitieme veiligheidseisen" van Congo's buurlanden. Alleen Kabila lag volgens hen nog dwars. Hij bracht echter naar voren bereid te zijn tot het houden van een vrije, ongecontroleerde dialoog van alle Congolezen, maar stelde dat deze dialoog niet mogelijk is in een land dat voor de helft bezet is door buitenlandse legers. Een aantal VN-resoluties eisten overigens ook het onmiddellijke vertrek van de Ugandese en Rwandese troepen, waar echter geen gehoor aan werd gegeven. Kabila stemde op het laatst van zijn leven in met een VN-vredesmacht, maar dan ter bescherming van de Congolese grenzen zodat de buurlanden zich niet meer schuldig zouden kunnen maken aan illegale troepenoverschrijdingen. Hem werd halsstarrigheid verweten. Echter, zij die met dit verwijt komen vergeten voor het gemak hun eigen belangen en Westerse vooringenomenheid. Nu is het tijd voor een nieuw begin met het aantreden van Joseph Kabila. Wellicht dat de kaarten anders geschut zullen worden.
Op 1 maart werd aangekondigd dat Uganda en Rwanda zich uit Congo terugtrekken in overeenstemming met een resolutie van de VN Veiligheidsraad. Wij bekijken dit met enig scepticisme omdat deze terugtrekking nog niet veel voorstelt: Beide landen trekken slechts een zeer klein deel van hun leger terug. Rwanda heeft volgens de VN 20 000 man troepen in Congo. Daarvan vertrekken er nu 2500 noordwaarts over een afstand van 200 km. Dit is maar een geringe afstand, gezien de uitgestrektheid van Congo. Uganda heeft 10 000 man troepen in Congo en gaat daarvan ongeveer 1000 man weghalen uit de noordoostelijke provincies van Congo. Museveni stelt dit voor als een belangrijke stap, maar het is duidelijk dat hij hiermee goodwill wil kweken bij zijn eigen bevolking gezien de ophanden zijnde presidentsverkiezingen in zijn land. De VN heeft verder bepaald dat er op 15 mei een plan klaar moet zijn voor de totale terugtrekking van alle buitenlandse troepen in Congo. We wachten af.
Nelly Koetsier
Lid van de werkgroep Congo-Ned