Verslag van de vergadering van de VN-Veiligheidsraad over het eindrapport over de exploitatie van grondstoffen in de RDC.

Enige opmerkingen. Op het rapport, dat op 15 october 2002 aan de VN-Veiligheidsraad (VR)is aangeboden, is van diverse kanten, bedrijven en personen, en enkele betrokken landen, vaak verontwaardigd gereageerd. De VR zelf wijdde op 5 november 2002 aan het rapport een bespreking zonder overigens erover al een besluit te nemen.

Het minst interessant, want erg voorspelbaar, waren de reacties van de drie landen die het meest in de beklaagdenbank zaten: Oeganda, Rwanda en Zimbabwe. Vooral de twee buurlanden van Congo maakten het bont met hun ontkenningen. Zo meende de afgevaardigde van Oeganda uit het rapport te hebben gelezen dat noch zijn regering noch enige Oegandese onderneming betrokken was bij illegale exploitatie, en dat het panel geen link had weten te leggen tussen Oegandese actoren en exploiterende elite-netwerken. Wel deelde hij mee dat Oeganda bezig was met olieboringen en onderzoek deed naar mineralen in het Ituri-gebied (zonder in te gaan op de vraag met welk recht het dat deed!). Rwanda was met name boos dat het panel geen geloof meer hechtte aan zijn standpunt dat niet het delven van coltan maar slechts het vervolgen van Interahamwe en ex-FAR de motivatie was van de aanwezigheid van Rwandese troepen in Congo. Terecht merkte de afgevaardigde van Noorwegen op dat partijen in het diplomatieke proces niet te goeder trouw handelden, als ze enerzijds betrokken zijn bij het vredesproces (denk aan de verdragen van Pretoria en Luanda) en anderzijds doorgaan met illegale exploitatie in de DRC.

Zimbabwe voelde zich om politieke redenen in de beklaagdenbank geplaatst: In plaats van te kijken naar zogenaamde elite-netwerken van individuen behoort naar haar mening te worden gekeken naar staten die immers verantwoordelijk zijn voor het handhaven van het internationale recht. Westerse landen profiteren van de exploitatie als financiers en als eindgebruikers, OECD-richtlijnen ten spijt. Ook stelde de Zimbabweaaanse afgevaardigde de vraag in welke zin de grondstoffenwinning door bedrijven 'illegaal' genoemd kan worden als deze berust op een contract dat gesanctioneerd is door de Congolese overheid. De Franse afgevaardigde sloot hierbij aan: Maatregelen van de regering van de RDC zijn niet zonder meer illegaal te noemen. Als illegale acties worden begaan door individuele personen, dan moeten die worden bestraft door regeringsautoriteiten.

In de VR bestaat weinig twijfel meer over het verband tussen de illegale geldstromen en het voordurende geweld in het gebied. Bedrijven en personen die in verband hiermee in het rapport genoemd worden moeten echter het recht krijgen zich te verweren. Dat geldt in het bijzonder voor de degenen die voorkomen in de annexen waarvan de naam soms niet eens voorkomt in de hoofdtekst. Dat pleit voor het samenstellen van een addendum met nadere informatie. De gedachte van een vast 'monitoring body' dat toezicht oefent op wat met de aanbevelingen van de raad concreet gebeurt, zoals het panel voorstelt, vond steun bij verscheidene afgevaardigden. Gesignaleerd werd dat sommige namen, zoals Victor Bout, in vrijwel ieder panel-rapport van de VR voorkomen, wat speciale aandacht vraagt. Het is overigens volgens de afgevaardigde van Rusland de vraag of het mandaat van de VR wel toestaat maatregelen te nemen tegen economische misdrijven van individuele personen of bedrijven. Aangetoond zou dan moeten worden dat hun activiteiten een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid, wat een zware eis is. Bestraffing van economische delicten is meer een zaak voor de betreffende staten. Zo werd, behalve Oeganda, ook de RDC zelf geprezen omdat die besloten heeft een onderzoek in te stellen tegen fuctionarissen die in het rapport worden genoemd.

De discussie wordt op een later tijdstip voortgezet.

werkgroep Congo-Ned
12 nov.2002